Het ontwerpteam voor Naturalis, bestaande uit Neutelings Riedijk Architecten, Aronsohn, Huisman en Van Muijen (installaties) en DGMR (bouwfysica) is gekozen op basis van een visie. De bouwopgave voor de uitbreiding van Naturalis beschreef het eindproduct, de huisvesting van de collectie, de ontsluiting van de collectie voor wetenschap en onderzoek en het publiek. Aan de gepresenteerde visie heeft een uitgebreide ruimtelijke variantenstudie ten grondslag gelegen.
De verdeling van alle functies over oud- en nieuwbouw gebouwen was min of meer vrij, zodat verschillende modellen van verdeling mogelijk waren. Het ontwerpteam heeft uiteindelijk de opdrachtgever voorgesteld alle depots te concentreren in de bestaande 4 torens en naast het complex een nieuw museumgebouw te bouwen. De entree werd gesitueerd in het aansluitvlak van beide bouwdelen en zorgt voor ontmoeting van publiek, wetenschap en de verzameling.
3411-2199-H-DO-REN-view ext west_001

Project informatie

Werkveld

Constructies

Plaats

Leiden

Opdrachtgever

Naturalis Biodiversity Center

Architect

Neutelings Riedijk Architecten

Omvang

39.000 m2 bvo

Start

2015

Oplevering

2018

Adviesdiensten

Constructief ontwerp, bestek, detailtekeningen en berekeningen

De nieuwbouw bestaat in hoofdzaak uit zalen die in 3 blokken zijn geclusterd.  De zalen binnen de 3 blokken hebben steeds verschillende hoogten, maar zijn zo ten opzichte van elkaar geplaatst dat er steeds overeenkomende vloerniveaus zijn. Tussen de 3 blokken zijn in een strook van 6 m 2 langgerekte betonkernen gevormd waarbinnen de stijgpunten en de installatieschachten zijn aangebracht. Deze betonnen stroken verzorgen ook de stabiliteit in één richting. In de andere richting zijn geen verticaal doorlopende wanden aanwezig. Na beschouwing van oplossingsvarianten in binnen- en buitengevels is er voor gekozen om de ‘trappenberg’ te benutten voor de stabiliteit. In feite vormen de verspringende wanden en de trappen een gevouwen, driedimensionaal werkende stabiliteitsconstructie.

De grote kolomloze zalen met een overspanning van 21,6 m zijn uit het oogpunt van museumgebruik niet beslist nodig, maar door optimalisering bleken ze binnen het budget mogelijk. Bijzonder ontwerpcriterium van de zaalvloeren was het trillingsgedrag en de akoestiek. Uitvoerig is onderzocht de uitvoering van de balken (staal of (voorgespannen) beton), de onderlinge afstand van de balken en daarmee de overspanning van de vloeren. Hierbij moet worden bedacht dat de vloeren op 12 m hoogte gemaakt moeten kunnen worden, daarom is een zelfdragende vloer ontworpen (dikke breedplaat). Uiteindelijk is – mede in verband met de voordelen voor inpassing van de installaties – gekozen voor vakwerken met een hoogte van 1500 mm, op een onderlinge afstand van 3000 mm. Deze vakwerken dragen in de 6 m dikke betonkernen en op kolommen in de gevels. Uit de kernen komen alle leidingen en kanalen uit tussen de vakwerkliggers in de zaal eronder of in de verhoogde vloer voor de zaal erboven.

Tijdens de ontwikkeling van het VO en DO zijn binnen de gekozen ruimtelijke oplossing nog vele varianten daarbinnen de revue gepasseerd, met name ten behoeve van meer plastische werking van de gevel en de vormgeving van de gevels en het dak van de entreehal, ook wel de ‘glaskroon’ genoemd. De verspringingen in de gevels werden mogelijke door de aanwezige vakwerken uit te laten kragen vanuit een kolom op een gemiddelde positie. De glaskroon had aanvankelijk een eenvoudig ruitpatroon waarbij een – qua vorm en uiterlijk – eenvoudige staalconstructie passend was. Later ontstond de behoefte aan meer plastiek en schaduwwerking, uitmondend in het bijzondere beeldbepalende patroon. De constructie en materialisering van de glaskroon was een flinke uitdaging, mede in verband met de grote ongesteunde hoogten. Er zijn varianten onderzocht in staal met daarom een schil van microbeton. Uiteindelijk is gekozen voor geprefabriceerd beton, waarbij de knopen uitgebreid doordacht moesten worden. De glaskroon is niet alleen het resultaat van geïntegreerd ontwerpen door architect en constructeur, maar ook door afstemming met glasleveranciers aangezien het om bijzondere vormen gaat en waarbij relatief grote vervormingen in de gevel in en loodrecht op het vlak, wel opneembaar moeten zijn.

chevron-right chevron-left